maandag 28 oktober 2013

vliegende schapen en gezellige bushokjes

De herfst had zich verslapen. Toen hij wakker schoot en zag dat het al bijna november was, raakte hij in paniek en bedacht dat hij de wereld weer even moest laten weten dat hij bestond. Regen werkt niet meer in dit kikkerlandje, daar hebben ze al genoeg van. Elk jaargetijde stroomt er mee over. Nee, hij moest wind hebben. Wilde, woeste, verwoestende wind. Hij liet het stuiven door de straten en danste een dodendans met de bomen. De bladeren en twijgen dwarrelden in het rond. Sommigen hielden het niet vol. Met een tegenstribbelend gekreun vielen ze ter aarde. Eventuele obstakels meenemend in hun val.

Mijn vader wilde niet dat ik op de fiets naar school zou gaan. Ik moest met de bus. Dat deed ik normaal gesproken ook al, maar nu benadrukte hij het nog maar even. Zelf ging hij wel fietsen, maar ja vaders hebben nou eenmaal hun eigen logica.
Na veel gedoe met nieuwsberichten die je vertelden binnen te blijven en verontrustende  whapjes van klasgenoten over daken die van huizen vielen en vliegende schapen, bleek zelfs ons dorp niet onbereikbaar voor het noodlot (en ja, je hebt natuurlijk gelijk, normaal gesproken gebeurt er nooit iets in dit gat. Maar het weer houdt zich niet aan afspraken over rust, regelmaat en barbecues. Zelfs niet als ‘hier gebeurt nooit wat’ het dorpsmotto zou moeten zijn). Alleen al in onze straat vielen twee bomen om, waarvan een op een huis in aanbouw, en een ander op huis waarvan de eigenaar van klussen houdt. Het noodlot kent soms rare kronkels.

Bijna imiteerde ik E.T. op weg naar de bushalte. Trappen was overbodig en ik werd bijna de lucht in getild. De vrouw die tegen de wind in moest fietsen wenste ik succes. Ze lachte en zei dank je wel.
Het was gezellig bij de bushalte. Het is die regel van de gezamenlijke vijand denk ik. Als je met z’n allen hetzelfde slachtoffer bent, gaat iedereen ineens heel gezellig doen. Toen er na een half uur nog steeds alleen maar bussen de verkeerde kant op reden, besloot ik om mijn moeder te bellen. Die raakte in paniek omdat ze niet wist hoe ze op moest zoeken of de bussen nog reden. En nee, ze kon me ook niet brengen want ze moest nog iets belangrijks doen en dat was zo veel gedoe. Of Orpa, onze schoonmaakster, dat dan misschien niet kon. Dat mocht gelukkig. De spraakzame vrouw en een wildvreemde man mochten ook mee. ‘Tenzij je niet tegen hondenhaar kan, ik heb zo’n grote Duitse herder weet je wel, en die zit altijd achterin’. De auto zwieberde in de wind. We telden de omgewaaide bomen en iedereen was lacherig van de hachelijkheid van het alles. 
In Groningen wenste iedereen elkaar een fijne dag. ‘En pas op voor vallende bomen hé!’

Ik kwam zelfs nog op tijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten